Op Bedevaart in Engeland

In de zomer van 2014 ben ik met mijn jongere broer Gerhard, die ook last heeft van een jeukend Triumph-virus, naar Engeland gereden voor een “Bedevaartstocht” naar enkele Automusea. Zie voor een fotogalerij onderaan dit bericht!

Het eerste museum dat wij bezochten was het “Heritage Motor Centre Motor Museum” te Gaydon; inderdaad een cultuurtempel, een walhalla voor de Anglofielen onder ons: alle auto’s die ooit geproduceerd werden in Engeland staan hier tentoongesteld. Dat wil zeggen, niet alle typen, maar door de bank genomen geeft het een goede indruk van dit cultureel erfgoed inclusief enkele prototypes. Oorspronkelijk bestond de collectie uit BMC/BLMC-modellen (Austin, Morris, Jaguar, Triumph, MG etc. Het is alleen jammer dat de tentoonstellingsruimte nogal beperkt is: ik heb bijvoorbeeld de laatst geproduceerde Stag niet zonder flankerende voertuigen kunnen fotograferen.

En naast auto’s zijn er nogal veel “accessoires” en andere zaken in Gaydon te bewonderen, zoals een door midden gezaagde MGB, een display-model die gebruikt werd op autoshows. Mijn broer is met een rijdende restauratie van zo’n model bezig en vond het machtig interessant.

Het volgende museum was het Haynes International Motor Museum te Sparkford . Naar verluidt is de kern van de collectie opgebouwd uit auto’s die gedemonteerd zijn om de befaamde Haynes Manuals te schrijven. Het museum is veel ruimer van opzet (en ook meer verzorgd) dan het Heritage museum in Gaydon. De voertuigen komen goed tot hun recht en voor kinderen is er zelfs een soort verkeerstuin. Dit museum liet bij ons een heel prettige indruk achter. Het heeft wel een internationaal karakter, dat wil zeggen dat je in tegenstelling tot “Gaydon” hier ook auto’s aantreft van niet Engelse herkomst. Met enige verbijstering heb ik naar een Amerikaanse Cabrio-Coupé uit 1958 gekeken: prachtig zo’n constructie, maar vanwege het stangenstelsel kan je in de bagageruimte van 2 x 2 x 0,5 m zegge en schrijven één kratje bier kwijt! Dan ben je toch weer dankbaar voor de riante bagageruimte onder de achterklep van de Stag. En onze Stag staat er natuurlijk ook tentoongesteld. Het is een standaard Stag en volgens de informatiezuil die er naast staat: “Unusually for a sportcar it has a luxury interior”; het is maar dat u het weet!

Het derde museum dat wij op onze bedevaart aandeden was het National Motor Museum te  Beaulieu. Na de beide echte automusea was dit even wennen: Beaulieu is namelijk een pretpark op een landgoed en de voertuigen verzameling is slechts een onderdeel van dit immense pretpark. Voor de kinderen is er dan ook van alles te doen, je kan het kasteel van de graaf bekijken en vanuit een monorail een overzicht van het park krijgen. Bij thuiskomst merkte ik dat ik geen foto’s had van de tentoongestelde auto’s (vooral vooroorlogse modellen) in het museum: kennelijk sloot dit niet geheel aan bij mijn verwachtingspatroon of gewoon verfijnde smaak als Stagrijder… Naast het museum stond overigens nog een (tijdelijke ?) aanbouw met daarin allerlei voertuigen die door het team van Top-Gear zijn gebruikt of beter misbruikt. Als je een liefhebber bent van Top-Gear; lijkt mij een bezoek aan deze verzameling een “must”…

Op de terugweg naar Harwich hebben we nog een typisch Engels evenement bezocht: “ The Annual BMC/BL Rally and Spares Day” te Peterborough georganiseerd door de Cambridge-Oxford Owners Club. Op een fantastische locatie staan honderden, of beter duizenden Engelse “family-cars” in allerlei uitvoeringen, die allemaal per veld zijn opgesteld. Je weet niet wat je ziet. Alle Engelse merken zijn vertegenwoordigd, behalve de sportwagens, dus op een verdwaalde auto na ontbreekt het merk Triumph. Maar ondanks dat hebben wij met plezier van veld naar veld gelopen en ons verbaasd over de vanzelfsprekendheid waarmee Engelsen met klapstoeltjes achter hun auto (zelfs Mini’s die met hefdaken tot campers zijn verbouwd) gaan zitten en het gesprek aangaan met iedereen die al wandelend de pas even inhoud bij het zien van hun auto.

Wat betreft de onderdelenvoorziening van deze “Bread-and-Butter-cars”: wij zijn met onze Stags enorm verwend, want vrijwel alles is (weer) verkrijgbaar. Voor deze minder courante modellen worden geen nieuwe onderdelen meer gemaakt. Dus, men is afhankelijk van slooponderdelen  of de originele fabrieksonderdelen. Frappant hoeveel er daar nog van te koop is: keurig verpakt in vetvrij papier. Het was heerlijk om hier een middag rond te mogen struinen. Een mooie afsluiting van een auto-weekend, maar nu  met echt rijdend en rokend erfgoed. Zeker omdat je je bij een fors aantal auto’s in de musea toch wel afvraagt, hoeveel van die auto’s nog regelmatig het asfalt opzoeken…

Want museum is natuurlijk leuk en interessant, maar een klassieke auto hoort te rijden!

Jan Kamphuis

Hieronder een fotogalerij van de reis.

Spring naar toolbar